Een pietepeuterig scheefhangertje

Je kent ze wel: van die ‘chauffeurs’,scheefhangertje
die op zo’n wijze met hun rechter elleboog op de armsteun van hun auto hangen,
dat hun pose zonder meer oncomfortabel diagonaal genoemd kan worden
en hun kuif amper boven het dashboard van hun auto uitkomt.
Inderdaad, meestal zie je ze in een VW Golf rijden.
Een zwarte drie deurs.
Ik moet altijd grinniken als ik er eentje tegenkom, zo’n scheef hangende soortgenoot.
Zo ook vanmiddag.
Maar dit exemplaar bezorgde me meer dan een grijns,
alhoewel hijzelf er de humor vermoedelijk niet van inzag, schat ik zo in.

Voor de juiste beeldvorming is het misschien handig, voordat ik van wal steek,
dat ik eerst eventjes wat nuttige statistieken en feitjes overleg:

• Mijn lengte is volgens mijn paspoort 190 cm,
alhoewel dit volgens sommigen 2,3 cm te hoog is ingeschat
(sinds mijn haardracht met goed fatsoen geen dracht meer genoemd kan worden).
• Ik heb de ‘gave’ zodanig te kunnen grijnzen,
dat op sommige types het effect heeft, zoals de bekende rode vlag dat met de stier doet.
• De weg waar deze melige ontmoeting plaats vond,
was de rondweg van Nijmegen, waar eerst een maximum snelheid geldt van 50 km/h,
die even verderop overgaat in 70 km/h.
• Deze scheefhanger reed ook in een zwarte VW Golf,
alhoewel de carrosserie dermate veel roest vertoonde,
dat ik tweemaal moest kijken om te kunnen constateren of de kleur ook echt zwart was.
Een tamelijk oud model Golf dus, maar des te meer scheefhanger waardig.

Tot zover de benodigde achtergrondinformatie. Dan nu eindelijk het relaas…

Zoonlief en ik reden al keuvelend op de genoemde rondweg, op de linker baan,
toen ik in mijn achteruitkijkspiegel enkele collega weggebruikers achter mij,
vrij abrupt naar de rechter baan zag uitwijken.
Ik vermoedde dat een hulpdienst in aantocht was,
maar zag dit vermoeden vooralsnog niet door een sirene of zwaailicht bevestigd worden.
Omdat mijn afslag over enkele honderden meters zich aan de linker kant zou aandienen,
bleef ik dus stoïcijns -en zelfs iets harder dan toegestaan- doorrijden op mijn linker baantje.

Al gauw kreeg ik in de gaten wat er zich achter mij afspeelde.
Iemand met haast kleefde namelijk nu aan mijn bumper.
Het voordeel van zijn gekleef, was dat ik zonder moeite in mijn spiegeltje kon waarnemen,
dat ’t hier een diagonaal achter het stuur gepositioneerde meneer betrof,
met vriendinnetje als bezorgd kijkende copiloot op de bijrijdersplek.
Nou ja, een meneer was het eigenlijk niet echt.
Ik schatte hem iets ouder dan mijn zoon van zeventien.
En hij had overigens ook geen kuif, zoals ik ze zo graag zie.
Nee, het was meer een gabbertje, zeg maar.
Bovendien maakte ie ook van die typische gabber beweginkjes met zijn handen,
wat best een komisch gezicht was,
ondanks het feit dat deze handbewegingen niet voortkwamen uit een opzwepend gabbermuziekje,
maar bedoeld waren om mij naar rechts te manen.

De beweginkjes werden nu nog wat driftiger,
omdat ik klaarblijkelijk niet snel genoeg aan de kant ging voor onze kuifloze meneer.
Ik zag daar overigens ook het nut niet van in,
omdat er voor mijn nog een hele rits auto’s reed en ik bovendien weldra links moest afslaan.
Los daarvan activeren dergelijke manieren bij mij onmiddellijk mijn goed ontwikkelde recalcitrantie.
Zoonlief en ik keuvelden dus vrolijk verder en weken niet af van de gekozen koers.
Maar het betrof hier een inventieve scheverd,
want hij zag kans zijn vierwieler bruut voor zijn rechter buurman te kwakken
en ons op die wijze rechts in te halen.
Probleem opgelost, zou je zeggen.
Niet dus.
Althans, niet volgens onze kuifloze gabber.

Zoonlief en ik staakten ons gekeuvel,
toen we plots iemand naast ons (overigens ons tot nu toe totaal onbekende) handgebaren zagen maken.
Alhoewel het best een fascinerend gezicht was,
dat nogal boze gedoe achter dat ruitje,
was er iets anders dat me die -voor hem mateloos irritante- grijns op mijn gezicht toverde.
Een grinnik.
‘Goh’, sprak ik grijnzend tegen mijn verbouwereerde zoon.
‘Voor zo’n kleintje heeft ie wel veel spatjes’
Het was namelijk een heel pietepeuterig scheefhangertje.
Duidelijk een ondermaats exemplaar.
Een soort Wesley Schneidertje.
Er volgden wederom een serie onduidelijke handgebaren vanachter het ruitje aan onze rechterkant.
Alhoewel we deze gebarentaal niet machtig waren,
begrepen we aan de vuurspuwende mimiek van onze nieuwe buurman
en zijn zich ernstig voor hem genererende vriendin,
dat het niet waarschijnlijk was dat het hier loftuitingen betrof over mijn rijgedrag.

Beide keken we nog steeds gefascineerd naar de driftig gebarende gabber naast ons,
toen ik me besefte dat het wellicht wel zo netjes zou zijn
om zijn communicatieverzoek in zijn eigen taal te beantwoorden.
Met een klein handgebaartje dus.
Ik boog daarom maar iets naar voren, achter het torso van zoonlief vandaan,
en maakte met duim en wijsvinger het gebaar dat nogal eens gebruikt wordt om iets kleins aan te duiden;
bijvoorbeeld door mannen die de kille temperatuur van het zwemwater willen illustreren.
Oei.
Mijn grote grijns stond nu in wel erg schril contrast met de ongecontroleerde woede die hij nu uitstraalde.
Klaarblijkelijk had ik met mijn gebaartje een gevoelige snaar geraakt.
Of liever: snaartje.
Gelukkig doemde hierna onze afslag op en konden we dit mallootje achter ons laten.
Ware het niet dat hij pardoes van koers veranderde en de achtervolging besloot in te zetten.
Oei. Met het stoplicht op rood, beloofde dit een spannend momentje te worden.

De gebaren, nu achter ons, werden nog heftiger en de blik nog bozer dan ie al was.
De sussende pogingen van zijn lief ten spijt.
Als je je niet bewust zou zijn van zijn ondermaatsheid, zou je er bijna bang van worden.
Nu vond ik zijn gedrag vooral sneu voor zijn vriendin.
Tsja, empathie manifesteert zich onder de meest bizarre omstandigheden.
De gebaren achter ons werden nu iets duidelijker.
‘Aah’, zei ik tegen mijn zoon,
om aan te geven dat ik deze gebaren wel begreep.
‘Hij wil vechten!’
Weer een grinnik.
Natuurlijk was ik geen moment van plan om op deze brute uitnodiging in te gaan
en dat moest ik ‘m nu dan toch maar eens duidelijk maken.
Wat een overmoedig mafkeesje.
Ik maakte hierop dan ook de hoofdbeweging,
die niets anders kon betekenen dan ‘nee dank je’
en bewoog met mijn hand uit het inmiddels geopende raampje en hield deze vlak,
op een hoogte van circa 1,50 meter: ten teken dat ik ‘m te klein vond dus.

Het stoplicht sprong nu op groen, Goddank,
en wij vervolgden quasi relaxed onze weg, waarna onze klever zich weer achter ons nestelde.
‘Zucht.’
‘Sommige mensen weten van geen ophouden’, bedacht ik me,
en besloot hem verder maar gewoon te negeren,
wat ik natuurlijk gewoon al die tijd al had moeten doen.
We reden, nu langzamer dan toegestaan, het industrieterrein op
en ik zag de mond van onze gabber nog altijd woorden uitbraken.
Maar zijn woorden werden nu beantwoord.
Door zijn vriendinnetje namelijk.
Klaarblijkelijk was ze zijn gedrag nu meer dan beu,
want het bleef niet alleen bij woorden.
Zijn kale bolletje kreeg nu een reeks oorvijgen van haar te verduren
en in mijn spiegel zag ik ‘m nu nog meer scheef achter zijn stuur zitten dan enkele minuten daarvoor.
Niet scheef over de armsteun heen hangend dit keer,
maar angstig naar links leunend, in een poging de oorwassing van zijn lief te vermijden.

‘Aha’, bracht ik grinnikend verslag uit aan mijn zoon,
‘hij heeft nu toch iemand gevonden die met ‘m wil knokken…’


Tags: , , , , ,
Copyright © Prettig Mijmeren 2015. All rights reserved.

Gepubliceerd29 september 2014 door Gerard in categorie Soortgenoten

Prettig als je een reactie achterlaat!