Geuren in Mullum

Ik heb iets met geuren.mullum
Een geur geeft veel informatie aan mijn onderbewuste door
en is in staat zowel mijn hersenen,
als mijn ledematen te activeren.
Zoals bij iedereen het geval zal zijn, vermoed ik.
Zo weet ik bijvoorbeeld dat ik rechtsomkeer moet maken,
wanneer ik het toilet betreed en al snuffelend constateer
dat mijn puberende zoon me zojuist voor is gegaan. Nuttige info!
Geuren kunnen me ook, pardoes, in een andere gemoedstoestand brengen.
Als mijn lief zich naast me vleit en ze zo heerlijk naar zich zelf ruikt,
kan mijn interesse voor Studio Sport bijvoorbeeld ,
zo maar verdwijnen en plaats maken voor een gezamenlijke interesse.
Een wondermiddel!

Maar het zijn niet alleen de aroma’s op zich, waar ik van geniet.
Ze nemen me zo vaak ook mee terug in de tijd.
Herinneringen worden bij mij vaak opgewekt door geuren.
Een vleugje aroma is veelal voldoende om me mee terug te nemen in de tijd
en de beelden van toen te laten afspelen. Of ik nu wil of niet.
Zo ook vanmorgen.
Toen ik de herfstbladeren, na de storm van vannacht,
met een bezempje van de vlonders aan het zwieperen was.
Ik rook de regen, de storm, de vochtige bladeren
en de overige vermolmde, natuurlijke materialen.
Heerlijk. Herfst!

Dit herfstaroma activeerde ongevraagd een woord onder mijn schedelpan:
Mullum.
Niet zo maar een woord.
Het is de Friese naam voor Midlum, een piepklein dorp onder de rook van Harlingen,
waar ik in mijn jeugd enkele jaren heb mogen wonen.
Ook nog een prettig woord, bedenk ik me al vegend.
Het is immers een palindroom.
Een mooie ook.
Veel mooier dan bijvoorbeeld Ede en Epe.
Mullum..

De constatering dat het hier inderdaad een palindroom betreft,
bezorgde mijn gedachten een bruggetje.
Ik zie mezelf, als jochie van een jaar of twaalf weer zitten langs het kanaal.
Met mijn hengeltje.
Lekker rustig langs de waterkant. Geuren snuiven (toen al) en geluiden traceren.
De hengel was in feite niet meer dan een dekmantel,
zodat ik ongestoord aan het water kon gaan zitten genieten.
Als ik daar immers zonder hengel zou gaan zitten,
zou ik door mijn vriendjes ongetwijfeld voor mafkees worden uitgemaakt.
Nu niet. Nu hield ik er in hun ogen gewoon een suffe hobby op na.
Ik kon er uren zitten, daar aan het kanaal.
Ongestoord.
Behalve dan af en toe het afleidende van een wegzinkende dobber.

Zo zat ik daar op een regenachtige namiddag, in de vroege herfst, ook.
Het had flink geregend en gestormd, net als vannacht.
Om natte plekken in mijn spijkerbroek te voorkomen, zat ik op mijn viskistje.
Een rood viskistje. Een lelijk ding, maar soms dus handig.
Ik had een werphengeltje bij me en een doosje wormen.
Ik hoopte op een mooie baars of zo.
Het was er het weer voor.
Mijn dobber bestond uit een vijftal roodwitte bolletjes, enkele centimeters uit elkaar en oplopend qua grootte.
Ik vond dit een van de mooiste dobbers.
Als je beet had, plopte de dobber bolletje voor bolletje onder het wateroppervlak.
Een mooi gezicht.
Zeker als de grootste en laatste bol ook onder water werd getrokken.
Dat gebeurde op deze bewuste middag ook.
Maar dan zonder het vijfvoudige’ geplop.’

Ik zat wat dromerig voor me uit te turen,
toen ik met een grote ruk mijn gehele dobber zag verdwijnen.
Gewoon foetsie.
Niets geen geplop dit keer.
Ietwat geïrriteerd over het oneigenlijke gebruik van mijn dobber door deze wel erg gretige vis,
greep ik naar mijn hengel en sloeg aan.
Ik begreep onmiddellijk dat het raak was en ging er maar bij staan.
Een fors waterbeest was aan de haak geslagen, dat was zeker.
Mijn hengeltje kromde behoorlijk en ik zag de vislijn zich met grote snelheid van links naar rechts verplaatsen.
Het duurde zeker een half uur voordat ik deze onderwaterbewoner op de kant had
en toen ie daar eenmaal lag, was mijn verbazing net zo groot als mijn teleurstelling.

Ik had een paling gevangen.
Een joekel.
Ow, wat had ik een pesthekel aan die beesten.
Ik vond het ranzige aaseters.
Slijmende krengen, die mijn visdraad genadeloos ruïneerden
en  helemaal om je arm krulden als je het beestje wilde ontdoen van het haakje.
Bah!
En dit exemplaar was ook nog eens met afstand de grootste die ik ooit had gevangen.
Dikker dan mijn jeugdige onderarmpjes.
Maar ja, het kreng moest toch onthaakt worden,
dus probeerde ik hem met afgrijzen onder zijn kop te grijpen en hem te verlossen van het puntige ding.
Toen ik hem echter onder zijn kop beet probeerde te pakken,
had deze reuzenaal een verrassing voor me in petto.
Ik schrok me een hoedje.
Het kronkelende mormel blies naar me, alsof het een kat in nood was.

Ik had me behoorlijk ingelezen,
over alle soorten vissen die ik in het kanaal voor ons huis mogelijkerwijs tegen zou kunnen komen,
maar er stond nergens vermeld dat palingen konden blazen.
Nou, wel dus.
En afgrijselijk ook nog.
Qua uiterlijk vond ik ze altijd al afstotelijk
en dankzij de geproduceerde klanken van dit beest,
was enige vorm van affectie jegens deze vissoort nu helemaal ver te zoeken bij me.
Ondanks zijn orale afweergeluiden, slaagde ik er in het beest te verlossen en weer los te laten.
Wederom was mijn vislijn geruïneerd en zat mijn rechterarm tot aan mijn oksel onder het slijm.
Het heeft hierna lang geduurd voordat ik weer aas gebruikte , als ik ging vissen.
Op blazende monsters uit de diepte zat ik immers niet te wachten.
Ik wilde simpelweg genieten van de rust en de geuren,
zodat ik zo’n vijfendertig jaar later dit genieten nog eens zou kunnen herbeleven..


NB: Palingen zijn natuurlijk fascinerende vissen. Niet in de laatste plaats vanwege hun paringsdrift, die ze terugvoert naar de Sargassozee. Meer boeiende informatie over dit blazende beest kun je lezen op http://nl.wikipedia.org/wiki/Paling

Tags: , , , , , , ,
Copyright © Prettig Mijmeren 2015. All rights reserved.

Gepubliceerd22 oktober 2014 door Gerard in categorie Dieren, Melancholie, Vroeger

Prettig als je een reactie achterlaat!